De geschiedenis van de Cranberry

cranberryplant
De Cranberry, Vaccinium Macrocarpon Carpon.

De Cranberry is in Nederland een uitheemse plantensoort. Ooit ontdekt in de zeventiende eeuw door de pelgrim Fathers. Bij toeval is de Cranberry op Terschelling aangekomen.

In de noordelijke staten van de Verenigde Staten woonden indianen, die naar later bleek al veel kennis van cranberries hadden. De kolonisten zagen dat de medicijnmannen de indianen cranberrysap gaven om blaasontsteking te genezen en te voorkomen, ook gebruiken ze het cranberrysap om vleeswonden van wilde dieren en pijlen te behandelen. Zo bleek in de vroege eeuwen deze rode geheimzinnige cranberry al een sterk medicijn te zijn. Daarin zagen de kolonisten toekomst en hier begint een lange historie van de Cranberry.

Legende of waar gebeurd?

Het verhaal van de cranberry is even spannend als sensationeel, waarbij de uiteindelijke waarheid dicht bij de realiteit ligt. Een vast gegeven is dat zij tijdens de zeevaart, waarbij maanden lange zeereizen doorgaans aan de orde waren, cranberries in vaten werden meegenomen om de bemanning tegen de gevreesde ziekte scheurbuik te beschermen.
De veelzijdigheid van de cranberry speelde hierbij een belangrijke rol, omdat cranberries zeer lang houdbaar zijn en dat kwam goed van pas omdat er destijds weinig tot geen mogelijkheden waren om producten te koelen. Omdat cranberries de broodnodige vitamine C en antioxidanten bevatten. Tijdens de lange reizen bleken ze een goed medicijn te zijn voor de lichamelijke gesteldheid van de beproefde mannen. Dus cranberry voor het lichaam en brandewijn voor de geest.

De scheepvaartroutes vanaf de oceaan liepen door het Engels kanaal en pal langs de eilander stranden richting Scandinavië. Vele schepen vergingen in de zeer gevaarlijke ondieptes voor de Terschellinger kust. Het waren gouden tijden voor Sil de Strandjutter en zijn maten.
Hele huizen werden van strandhout gebouwd en soms spoelde er van alles aan zoals vaten met wijn. Op een keer spoelden er vaten met harde zure rode bessen. Niemand wist dat dit Amerikaans Cranberries waren, maar dit verhaal toont aan dat ze op deze manier op het eiland terecht gekomen zijn. Zo werd de legende verheven tot waarheid, tot op de dag van vandaag.

De ontdekking

In 1868 maakte botanicus Holkema voor zijn afstudeerscriptie een zoektocht over de Noordzee eilanden op zoek naar bijzondere planten. De naam Waddeneilanden kwam pas later in 1927 toen de Afsluitdijk klaar was.
Hij ontdekte in het gezelschap van ongeveer 25 studenten de Cranberry in veel duinvalleien op Terschelling. De plek waar deze ontdekking plaatsvond heet tot op de dag van vandaag het Sudentenplak. Holkema heeft zijn scriptie nooit afgemaakt, hij kreeg TBC en overleed op 29 jarige leeftijd.
Maar de teerling was geworpen, want in academische kringen brak men zich het hoofd, hoe deze inheemse soort op Terschelling terecht was gekomen, en zich zo zeer snel daar uitbreidde.
Terschellingers lieten de vruchten links liggen want in die tijd gold vooral in afgelegen streken dat men niets vreemds at. Misschien waren ze zelfs wel giftig! Maar toen ene heer Borgesius helemaal naar Terschelling kwam om planten te halen, om ze in Drenthe opnieuw te planten, toen werden de eilanders nieuwsgierig.
Het ging hier uiteindelijk om een zeer unieke soort, namelijk de Vaccinium Macro Carpon, die eerst de naam lepeltjesheide kreeg, maar al gauw Cranberry werd genoemd.
Tot 1910 behoorde het hele eiland Terschelling tot beheersgebied van de gemeente. En de gemeente was ook in de constantie op welke dag er begonnen mocht worden met de pluk, die toen nog vrij was voor iedereen.
In 1910 nam Staatsbosbeheer grote duingebieden van het eiland over, en vanaf dat moment werd de gehele cranberry pluk in pacht gegeven aan eilander ondernemers.

Het ontstaan van een in de wereld unieke cultuur

Toen Staatsbosbeheer in 1910 een groot gedeelte van de eilander natuur in beheer kreeg, werd er een deal met de gemeente gesloten, dat Staatsbosbeheer het verruigen van de eilander duinen zou tegengaan.
Er werden vervolgens grote gebieden met naaldbomen beplant, men deed dat op een bijzondere manier. Eerst werden er in duinen twee meertjes, ofwel dobes gegraven. Er werd turf uit Drenthe aangevoerd en deze werden in de dobes te weken gelegd. Een goed volgezogen turf zorgde een jaar voor de waterhuishouding van de kleine naaldboompjes.
Omdat naaldbomen een laag grondwaterpeil nodig hebben werden afwateringssloten gegraven, en dit was funest voor de cranberryvelden want veenbessen dienen altijd in vochtige grond te staan.

In datzelfde jaar werd voor het eerst de cranberrypluk aan een particuliere pachter gegund in de vorm van een meerjarig pachtcontract. De eerst pachter, genaamd Cornelis Bloem, pakte de zaken flink aan omdat door het verlagen van het grondwaterpeil verruiging ontstond en de cranberry velden ten onder dreigden te gaan.
Hij legde met plaggen geheel nieuwe velden aan, onder andere bij het waterplak. Bloem was een serieus man en stond ook als minzaam bekend bij zijn plukkers en personeel.

In de loop der jaren zijn er inmiddels zes pachters geweest die het aandurfden de pacht op zich te nemen. Hetgeen best nog wel een uitdaging was, omdat door de verruiging de cultuur bedreigd werd en steeds meer instanties zich direct of indirect met deze ontwikkelingen bezighielden. Tot op de dag van vandaag is het moeilijk om een cultuur in stand te houden die nauwelijks op commerciële basis uit te voeren is, dit in verband met de regelgeving die nu eenmaal rond een natuurproduct is opgebouwd.

Het Cranberryverhaal